Vroeger was alles overzichtelijk. Als je wilde sporten, dan ging je gewoon naar de dichtstbijzijnde gymzaal van Bovensmilde (de enige gymzaal overigens) en klaar. In dat opzicht was het heel logisch dat ik met gymnastiek begon. Eigenlijk begon zo'n beetje iedereen uit mijn klas aan gymnastiek. Het enige was dat ik daar totaal geen aanleg voor had. Zo bleef ik tijdens een molendraai op de rekstok altijd ergens halverwege hangen zodat twee sterke dames mij weer omhoog moesten takelen.
Daarna werd het korfbal; een sport met een niet zo'n hip imago. Ik vond dat prima –ik was zelf ook niet hip– maar het het voordeel van korfbal was dat ik daar best goed in was. Dat heeft overigens wel een tijd geduurd, in het begin was het hele team boos op mij omdat ik nooit stond op te letten. Daarna kreeg ik het spel door en veranderde ik in een irritante verdedigster.
Nadat ik op mijn vijftiende in de zoveelste 'Is dit nu alles'-fase was beland, ging het roer om. Inmiddels was het assortiment van de gymzaal-activiteiten fors uitgebreid. Met het racket van mijn moeder ging ik badmintonnen en ik mepte er fanatiek op los. Mijn specialiteit was vooral dat ik de shuttle (echte badminton-kenners zullen dit ding nooit een 'pluimpje' noemen) in een pisboogje precies over het net kon krijgen. Menig man zou jaloers op mij zijn. Die tactiek zag er trouwens lachwekkend uit, maar werkte wel. Toen de training werd omgezet naar de vroege zaterdagochtend, kwam de klad erin. Aangezien er beperkte speelruimte was en de trainster het 'Wie het eerst komt, wie het eerst maalt'-principe hanteerde, dacht ik 's ochtends in mijn bedje: dan kan ik net zo goed even blijven liggen tot de anderen zijn uitgespeeld.
Tijdens mijn studie speelde ik badminton bij een studentenvereniging en moest ik naar een ander gedeelte van Groningen fietsen om bij de training te kunnen zijn. Op zich geen ramp, maar wel als je na 23.30 weer terug moest fietsen. Buiten was het koud en het fietspad was donker. Het fietsen kostte mij aanzienlijk meer energie dan de training zélf. Fietsen bij slecht weer vind ik nog steeds niks aan. Als ik dat tof zou vinden, dan was ik wel lid geworden van een wielerploeg.
Daarna ging ik zwemmen. Fanatiek trok ik mijn baantjes in allerlei zwembaden. Ik kocht een jaarkaart en voelde me bijna als Ingrid Inge de Bruijn in haar hoogtijdagen. Tegenwoordig dobber ik maar een beetje rond en ben ik al een half jaar in het bezit van een 12x-zwemmen-kaart die nog lang niet opgebruikt is. Soms voelt het gewoon fijner om een broodje in de stad te eten in plaats van calorieën te verbranden in het water.
Laatst dacht ik bij mezelf: waarom ga ik niet gewoon een kijkje nemen bij de dichtstbijzijnde sportschool? Ik woon al jaren bij een sportschool om de hoek. Zo gezegd, zo gedaan. Ik nam mijn nieuwe sportschoenen mee en ging een proefles Pilates volgen waarvoor je geen schoenen nodig bleek te hebben. De oefeningen waren lastig te volgen en mijn beloning was drie dagen spierpijn. Maar wat vond ik mezelf goed! Ik nam mij voor om vaker te sporten. De volgende les brak aan, maar ik was niet in de sportschool te bekennen. Terwijl mijn Pilates-groepje allerlei buikspier-oefeningen afwerkte, zat ik in een eethuisje een pizza naar binnen te werken. Als een echte sportvrouw.