Met schaamte denk ik terug aan mijn inburgeringsperiode in Groningen, ondanks dat ik hier nu al meer dan tien jaar woon. Ik ben opgegroeid in het Drentse dorp Bovensmilde; daar was het vroeger normaal om iedereen te groeten die je op straat tegenkwam. Dat groeten lukte mij meestal niet op tijd, omdat ik er pas aan dacht wanneer iemand al meer dan vijftig meter verderop was. Dat maakte mij niet geliefd. Ik bedacht toen dat de kans om verstrikt te raken in groet-etiquettes veel kleiner is, wanneer je in een stad woont. Ik had beter moeten weten...
Groningen is leuk, maar het duurde even voordat ik doorkreeg hoe ik moest omgaan met de mensen om me heen. Neem de Herestraat. Een gezellige winkelstraat, maar ook een onoverzichtelijke jungle van mensen die van alles op straat verkopen: dagbladen, goede doelen, boekenclubs, politieke partijen, omroepen, religies... Overal kun je lid van worden; het enige wat je daarvoor hoeft te doen is door de Herestraat slenteren en oogcontact maken met de eerste de beste meneer of mevrouw die 'Hallo' zegt.
In het begin vond ik dat nog wel gezellig en vertrouwd, maar als student leek het mij vooral erg duur om op ieder vriendelijk aanbod in te gaan. Ik had mezelf al een abonnement op de ECI laten aansmeren, waarbij ik verplicht ieder kwartaal een boek of cd moest afnemen die ik niet nodig had. Na het eerste kwartaal wist ik niet meer wat ik moest kiezen en duurde het lidmaatschap nog minstens twee jaar... Ik besloot daarom om de kunst van het negeren te leren: strak voor me uitkijken en ondertussen vanuit mijn ooghoeken speuren naar gevaar. Doorlopen in een strak tempo, zigzaggend door de hele straat zodat ik alle potentiële geldaftroggelaars adequaat kan ontwijken. Kortom: als ik aan het negeren ben, zie ik eruit als een malloot.
Negeren vind ik lastig; genegeerd worden overigens ook. Zo stak ik tijdens mijn eerste maanden in Groningen automatisch mijn hand op zodra er een auto naar mij toeterde. Een dorpsgewoonte. Een uiting van: 'Halloooo, ik heb je gezien!' Of op zijn Gronings: 'Moi!' Deze blijk van waardering lijken bestuurders in de stad niet op te pakken. Ik heb dan ook veel boze blikken moeten incasseren voordat ik mezelf had aangeleerd om aan de kant te gaan zonder te zwaaien naar toeterende automobilisten. Gelukkig heb je in de Herestraat geen auto's.
Laatst was ik zo druk bezig met negeren dat ik er moe van werd. Ik ben toen een willekeurige schoenenwinkel ingerend. Wanneer ik sta uit te hijgen naast het rek in mijn maat, hoor ik: 'Hallo mevrouw!' Ik voel mezelf boos worden en wil roepen: 'Laat me met rust! Ziet je dan niet dat ik aan het negeren ben?' Tot ik besef dat het geen straatverkoper is die tegen me praat, maar de verkoopster van de winkel. Die zichzelf blijkbaar heeft opgedragen om iedere bezoeker te begroeten. Zonder er meteen iets voor terug te hoeven ontvangen (uiteindelijk gaat het er uiteraard om dat er meer schoenen worden verkocht, maar nu wil ik het hebben over vriendelijkheid).
Ik frommel een lach op mijn gezicht, kijk de verkoopster aan en zeg 'Hallo' terug. Vervolgens groet ik alle medewerkers van de schoenenwinkel. Het voelt als compensatie voor alle mensen van vroeger die ik voorbijgelopen ben zonder te groeten. Bovensmilde mag weer trots op mij zijn! Met een rood hoofd verlaat ik de winkel en ik besef: na tien jaar stadsleven ben ik blijkbaar nog steeds niet geïntegreerd...

De stadsjungle van Kuala Lumpur, oktober 2006. Een stad waar ik mij aardig ingeburgerd voel.