Daar sta ik, in een lange bruine gang met beige deuren. Met mijn lichaam tegen een raam aangeplakt dat uitzicht biedt op de auto's van het Damsterdiep.
Het rode apparaat dat nummertjes uitspuugt is het enige dat kleur heeft in het gebouw. In mijn rechterhand heb ik een briefje zoals iedereen én een uniek nummer op een klein papiertje dat het uitspuugapparaat mij heeft gegeven: 711. Aangezien ik de laatste tijd alles uit mijn handen laat glippen, ben ik de helft van mijn wachttijd aan het zoeken naar dat kleine papiertje dat ergens op de grond ligt te kreukelen.
Ondertussen zie ik hoe de mensen door de gang schuifelen. Zoekend, onzeker. Een vrouw loopt huilend weg. Een man van ongeveer mijn leeftijd komt voor me staan. Ik vraag me af of hij nou een dokter is of toch een patiënt. Dan ontdek ik dat hij zijn verwijsbriefje onder zijn arm heeft gepropt, bijna onzichtbaar.
Nummer 710 blijkt niet meer aanwezig te zijn, dus ik ben eerder aan de beurt. Na het tonen van mijn ziekenfondskaart, wordt er 5 ml bloed uit mijn arm getapt en verdeeld over twee buisjes. Dat valt erg mee. Ik verbaas me erover dat het wachten op het bloedprikken voor mij veel vervelender is dan het bloedprikken zélf.
Dat zou toch anders moeten kunnen? Ik denk dat een fris likje verf op de gang al wonderen verricht en als ze dan toch bezig zijn, gaat dat nummeruitspuugapparaat er ook meteen uit. Daarvoor in de plaats komt dan een host of hostess (oftewel: iemand van vlees en bloed) die iedereen netjes begeleidt naar de prikdokter/zuster, koffie schenkt en koek serveert. Een goed idee zou ook kunnen zijn om alle patiënten te voorzien van een MP-3 speler zodat ze tijdens het wachten kunnen genieten van hun favoriete muziek.
Hoe dan ook, bloedprikken kan echt veel gezelliger! Daar wordt iedereen beter van.