Het Noord Nederlands Toneel speelt Alice in Wonderland en ik baal een beetje. Natuurlijk had ik eerder kaarten moeten bestellen en niet tot het laatste moment moeten wachten. En natuurlijk had ik op mijn hoede moeten zijn toen alle eerste kaartjes voor de eerste rang al waren uitverkocht.
Nu zit ik tweede rang. Vanaf mijn plek is het podium helaas niet helemaal zichtbaar. Maar als ik een beetje naar links draai en mijn hoofd een beetje uitrek, dan kan ik nog wel tussen de zuilen doorgluren. Gelukkig zijn de twee stoelen voor mij nog leeg.
De Stadsschouwburg in Groningen is volkomen onlogisch. Als de mensen hun plek opzoeken, gedragen ze zich alsof ze midden in de nacht in een vreemd bos worden gedropt. Er wordt geklommen, gekropen, gefluisterd en geroepen: 'Help, waar zitten we eigenlijk?' Nou is Wonderland natuurlijk wel een bizarre plek, maar de voorstelling moet dan nog beginnen.
Op het laatste moment worden de twee stoelen voor mij ingenomen door twee giebelende dames. Hierdoor moet ik mijn gluurtechniek aanpassen; mijn nek wordt langer, ik zit nu helemaal linksom en ik begin me af te vragen wat er nou zo ontspannend is aan een avondje uit.
De deuren gaan dicht, het licht wordt gedimd. Ik vergeet dat ik baal. Ik verwonder mij over het goede spel, het bijzondere decor en het indrukwekkende verhaal. Hoewel de voorstelling vragen oproept, klopt het naar mijn gevoel helemaal. De spelers lijken zich helemaal te geven.
Dan klinkt er applaus. De mensen gaan staan. Ik ben mijn gevoel van tijd kwijt. Ik ga weer zitten terwijl iedereen de zaal verlaat. Dan loop ik richting het podium en doe iets wat je eigenlijk niet hoort te doen als toeschouwer: ik bekijk de immense decorstukken van dichterbij. Ik zie het enorme podium en allerlei ingewikkelde technische constructies.
Er zijn mensen die beweren dat je de magie van het theater wegneemt als je te dichtbij komt, maar voor mij werkt dat juist andersom. Hoe meer ik van dichtbij zie, hoe meer ik ga fantaseren over wat er allemaal mogelijk is. Het begint ook te kriebelen om zelf iets moois te maken dat ooit podiumwaardig zal zijn.
Ik verlaat de zaal, maar niet voordat ik naar boven heb gekeken; naar het prachtige plafond. Het is de sterrenhemel waar iedere artiest naar kijkt. Op dat moment vergeet ik alle onhandige dingen van de Stadschouwburg; alleen de verwondering blijft over.
Vanavond mag ik opnieuw naar de Stadsschouwburg; eerste rang deze keer. Ik ben een gelukkig mens.