Ik wil weg. Uit de stad. Waarheen maakt mij niet uit. Als het maar ver weg is. En het moet een metronetwerk hebben. Anders verdwaal ik en dan ben ik nog verder van huis. Het is alsof er een insect in mijn hoofd blijft rondzoemen: 'Op reizzz! Nu!'

Libelle in Kota Kinabalu (Maleisië)
De laatste tijd snuffel ik veel in foto albums. Barcelona, Kuala Lumpur, Singapore, Schiermonnikoog...
Ik ruik opnieuw het frisse duingras, uitlaatgassen vermengd met de geur van noodles, echt frans stokbrood en de durian; een vrucht die in Maleisië als een delicatesse wordt beschouwd, maar zo verschrikkelijk stinkt dat het verboden is om het mee te nemen naar openbare ruimtes.
Ik hoor het geluid van verkeerschaos en het geluid van krekels in het tropisch regenwoud.
Ik zie de blauwe zee voor me, de hoogvlaktes en drukke steden.
Mijn gedachten bevinden zich voor de zoveelste keer in de trein die mij meeneemt naar een nieuw avontuur. Het enige wat ik hoef te doen is instappen. 'Nu!,' zoemt het in mijn hoofd.
'Niks nu,' zegt mijn verstand op strenge toon: 'Eerst de nuttige dingen, anders kom je helemaal nergens.' Ik zucht. Ik berg mijn foto albums weer op en ga weer aan het werk. De computer lijkt harder te zoemen dan het insect in mijn hoofd.
Terwijl mijn verstand zich bezighoudt met de invoer van ingewikkelde teksten en kolommen, proef ik pure chocolade. Anderhalf jaar geleden geïmporteerd uit de luchthaven van Kuala Lumpur. Aziatische bonbons. Met durianvulling.