Home »Ditjes en Datjes »De man die oordopjes haat

De man die oordopjes haat

Bijgewerkt op: 02-03-2011

De dag is somber. Net als ik. Toch gloort er in de trein een sprankje hoop; er zijn namelijk nog twee zitplaatsen vrij. Tegenover een man en een vrouw. De vrouw ruimt snel haar jas op zodat René snel kan zitten. De man doet daar een stuk langer over; ik moet wachten tot hij zijn tas met veel tegenzin oppakt. De trein rijdt al een tijdje als ik neer kan ploffen. Ik pak mijn iPod en druk mijn oordopjes in mijn oren. Eindelijk rust. Twee seconden later begint de man met spreken.

'De jongelui van tegenwoordig hebben geen geduld meer,' zegt hij tegen de vrouw: 'Ze zitten altijd maar met die doppen in hun oor.'
Ik kijk om me heen; ik ben de enige met oortjes in. Hij heeft het dus over mij. Ergens voel ik me wel gevleid dat ik op mijn vierendertigste blijkbaar bij de jongelui hoor. Toch raak ik ook geïrriteerd. Hij kijkt alsof ik hem met dead metal bestook, terwijl ik nog niet eens de kans heb gekregen om mijn muziek aan te zetten.
De vrouw glimlacht en fluistert tegen de man: 'Dat maakt toch niets uit?' Haar woorden werken als een rode lap op een woeste stier.
'Dat maakt wel uit. Alsof er niets anders is dan die oordoppen. Waar het om gaat, is dat we in de trein zitten. Iedereen sluit zich maar af voor de buitenwereld en voor alle contact.'

Van schrik plop ik mijn oordopjes weer uit. Ik kijk naar het stel. De man kijkt geërgerd en de vrouw blijft stoïcijns glimlachen.
Ik voel me wat baldadig worden en zeg: 'Soms doe ik gewoon mijn oordopjes in zonder de muziek aan te zetten. Gewoon om te horen wat de mensen zeggen.'
De vrouw lacht. De man zwijgt.

Ik luister naar mijn muziek. De man valt in slaap. Ik moet mezelf bedwingen om hem niet wakker te schudden en te roepen: 'Sluit u niet af voor de buitenwereld, blijf geduld houden!'
Na een half uurtje maakt de vrouw hem wakker. Ze pakken hun spullen in. Ik plop mijn oordopjes uit. De vrouw zegt René en mij vriendelijk gedag. 'Tot ziens,' zeggen wij. De man zegt niets. De vrouw staat op en opent de deur van de coupé. De man volgt haar.

Ik zie hen lopen op het perron. Gewoon een man en een vrouw. Zijn ze gelukkig samen? Zijn er momenten dat de glimlach van de vrouw wordt gebroken? Ik weet het niet. De trein rijdt verder. De dag is somber.