Lamlendig hang ik bij een van de vele bushaltes die de provincie Groningen rijk is. Het is warm, alles plakt. Terwijl ik een langzame hap neem van mijn droge boterham met bezwete kaas, hoor ik een mannenstem: 'Wanneer gaat de bus?'
'Over drie minuten,' probeer ik zo duidelijk mogelijk te zeggen met volle mond.
'Mooi, dan heb ik nog even tijd om mijn vouwfiets in elkaar te vouwen,' zegt de man monter. Ik kijk naar hem. Hij ziet er opvallend energiek uit, ondanks zijn hoge leeftijd. Uit een fietstas haalt hij een tangetje tevoorschijn. Enthousiast begint hij aan zijn fiets te sleutelen.
Ik slik de laatste kaas door en met mijn onhandigheid als wapen besluit ik de man te helpen. Op zijn aanwijzingen sleur ik aan palletjes en schroeven. Het lukt ons om zijn fiets in te vouwen. De man kijkt mij dankbaar aan en trekt zijn fiets dichter naar zich toe; alsof hij een schat bij zich heeft die hij wil koesteren.
'Fiets jij weleens?' vraagt hij.
Ik denk aan de fietsen van René en mij die al minstens een half jaar kapot tegen onze gevel staan. Een paar kleine onderdelen moeten vervangen worden, maar geen fietsenmaker die bereid is om de klus te klaren.
'Nee,' antwoord ik kortaf.
'Jammer,' zegt de man.
De bus arriveert. De man vraagt of ik zijn fietstas even mee wil meenemen. Zelf draagt hij zijn vouwfiets de bus in. Hij gaat achter me zitten. Ik geef hem zijn tas terug. De man zet zijn fiets naast zich, midden in het looppad. Terwijl hij zijn fiets vasthoudt, vertelt de man over zijn werk van vroeger, over de vele fietstochten, over het Groninger landschap. Hij heeft een boek meegenomen met daarin de oude kerken van Groningen; die vindt hij bijzonder. Tussendoor maakt hij grapjes met onze medepassagiers.
Plotseling vraagt de man aan mij: 'Wat is goed?' Hij laat zijn fiets los. Met beide handen haalt hij een klein boekje uit zijn tas. Hij slaat het open. Op een bladzijde is een zwart-wit foto geplakt. 'Wat is goed?' vraagt hij nogmaals: 'Dit is mijn vrouw. Ze is kort geleden overleden. Sindsdien blijf ik doorfietsen, dorp in dorp uit, ik bezoek alle oude kerken. Ik moet wel. Is dat goed of moet ik juist thuisblijven?'
Het dringt tot mij door dat deze man –wat hij ook doet– altijd geconfronteerd zal worden met een leeg huis.
Er valt een stilte waarin ik een poging doe om hem te vertellen dat bij zoiets ingrijpends geen goed of fout bestaat, dat iedereen hier anders mee omgaat en ik denk ondertussen: ik heb hem alleen maar loze woorden te bieden. Precies op het moment waarop ik dat wil zeggen, valt zijn fiets om.
De man doet zijn boekje weer dicht en glimlacht even. 'Zo'n bus is hier niet op berekend. Maar goed, ik moet hier toch uit.'
De bus stopt, de man pakt zijn fiets op en hij stapt naar buiten. Ik loop achter hem aan en zet zijn fietstas voor hem neer. We wensen elkaar een goede dag toe. Ik denk na over dingen die ik wil zeggen ter bemoediging, maar de deuren van de bus sluiten zich alweer. De man steekt nog even zijn hand op en verdwijnt daarna uit het zicht. Hopelijk krijgt hij het snel voor elkaar om zijn fiets weer uit te vouwen; hij moet het nu alleen doen. Ik loop terug naar mijn plek en vermoeid plof ik neer op de harde zitting. Ik ben op weg naar huis. Het is alsof ik me nu daar veel meer bewust van ben…

Oude foto van een bushalte bij het Damsterdiep, deze bushalte bestaat niet meer…